Gelezen in de Bits & Chips van 21-12-2007: ‘Maar dan nog zou ik zeggen: gebruik er niet meer dan 20 procent van. Beschouw de andere 80 procent als iets dat je alleen nodig hebt bij zeer speciale problemen. Sommige onderdelen zul je waarschijnlijk nooit gebruiken. UML 2.0 heeft zeker goeds in zich, maar er zit te veel in. Als product van een community is het maar blijven groeien en groeien zonder goeie reden. Over twintig jaar zal UML er nog steeds zijn, en gebruikers zullen het nog steeds waarderen, maar ze zullen moeten kiezen wat ze ervan toepassen.’
Ivar Jacobson als vader over zijn eigen 'te dikke kind'. Ik moet zeggen, groot gelijk heeft de man. Uit eerdere seminars die ik volgde en een handvol projecten blijkt dat er vraag is naar een soort pragmatische toepassing van UML, passend binnen een lichtgewicht procesmodel. Ik zie studenten (als docent betrokken bij de HAN) veel worstelen met het juist tekenen van de diagrammen terwijl ik wil dat ze zich druk maken met het tekenen van de juiste diagrammen (drawing the diagrams right or drawing the right diagrams). Zo gauw als ik UML - bij voorkeur op een whiteboard - toepas wordt het een mix van verschillende diagramstijlen die duidelijk zijn en zeggen wat ik bedoel, maar meestal is de basis een sequence diagram. Handig voor herhalende doorsneden van de architectuur (patronen), scheiding van wat er links en rechts van een bepaald protocol gebeurt en praktisch op systeem niveau (system sequence diagrams). Waar je nu precies je klassen vandaan haalt zal mij om het even zijn, domein modellen en/of ervaring worden in verschillende verhoudingen toegepast.
Gelukkig blijkt deze pragmatiek overdraagbaar, getuige de goede resulaten die ik in projecten en in onderwijssituaties zie.